Nu weer hier een paar maanden zitten, rijst soms de vraag: wanneer ben je eigenlijk ingeburgerd? Als je de taal spreekt? Als je precies weet op welke dag het afval wordt opgehaald? Of pas als de mevrouw van de koffiebar niet meer hoeft te vragen wat je wilt drinken?
Wij zijn er nog lang niet, maar beginnen inmiddels wel te ontdekken dat inburgeren vooral in heel kleine dingen zit. Lokaal kopen, bijvoorbeeld. Dat deden we in Nederland natuurlijk ook, maar hier proberen we er nog bewuster voor te kiezen. En dat levert soms ervaringen op die we bijna niet meer gewend waren. Zo kochten we iets bij een lokale ondernemer zonder iets te tekenen of aan te betalen. Vertrouwen was blijkbaar voldoende. En toen we bij diezelfde elektronicazaak een wifi-versterker wilden kopen, werd de verpakking alvast opengemaakt. ‘Kijk eerst maar of hij thuis werkt. Zo ja, dan kom je betalen. Zo niet, dan breng je hem gewoon terug.’
Inburgeren betekent ook: weer contant geld op zak hebben. In Nederland waren we inmiddels volledig vergroeid met contactloos betalen. Een portemonnee hadden we al jaren niet meer. Hier kwamen we er al snel achter dat contant geld toch wel erg handig is. Soms zelfs bijna een must. En, gek genoeg, past dat eigenlijk wel bij het leven hier. Betalen is niet altijd een snelle, anonieme handeling. Je maakt een praatje. Je kent na een tijdje de mensen achter de toonbank. En zij kennen jou (want het nieuws dat er twee ‘Hollanders’ zijn komen wonen, bliljkt zich verrassend snel te verspreiden). Dus hebben we tegenwoordig weer een ouderwetse portemonnee met briefgeld én muntjes.
En dan is er misschien wel de belangrijkste inburgeringsles: vragen, vragen en nog eens vragen. Want hoe kom je erachter waar je kunt sporten als Google je in jouw Zuid-Tirools dorp niet direct tien mogelijkheden voorschotelt? Door te vragen. Bij de koffiebar, in de supermarkt of bij de kapper: eigenlijk aan iedereen die het misschien zou kunnen weten. Zo ontdekten we dat er in ons dorp gewoon iedere week pilates wordt gegeven. Niet in een hippe studio, maar in het parochiehuis. En voor de sportschool hoeven we ook niet naar de ‘grote stad’. Verschillende hotels in de omgeving blijken hun fitnessruimte open te stellen voor lokale mensen. Zo is sporten meteen een van de manieren geworden om mensen uit de omgeving te leren kennen.
En misschien is dát uiteindelijk wel de beste manier om in te burgeren: je gezicht laten zien. Bij de supermarkt, de kapper, de koffiebar, de restaurants. Steeds weer dezelfde plekken bezoeken en een praatje maken. En dan merk je vanzelf dat het dorp jou óók begint te kennen.